Rotterdam, filosofische vrijhaven in de 17e eeuw

Desiderius Erasmus, John Locke, Pierre Bayle en Hugo de Groot maakten Rotterdam tot op- en overslaghaven van de Europese Verlichtingsidealen.

(uit het boek “13 filosofische wandelingen door Nederland en Vlaanderen”
door Erno Eskens, redacteur van het Filosofie Magazine, maart 1999)

“Rotterdam is een grote, mooie stad, waarover een heleboel te vertellen is”, meldt de Franse filosoof Denis Diderot (1713-1784). Zijn landgenoot Victor Cousin (1792-1867) vertelt: “Toen wij 's middags in Rotterdam aankwamen, troffen we een levendige en drukke stad aan, een onbeschrijflijke handel, een ijverige mensenmenigte dringt zich door de straten, een schilderachtig uitzicht op de schepen.” Vroeger voeren de schepen vlak langs de kleine huizen. ”De stad ziet er netjes uit en het is bewonderenswaardig dat de schepen langs bijna alle Rotterdamse straten kunnen afmeren”, schreef de Engelse filosoof John Locke (1632-1714) op 7 september 1683. De Duitse filosoof Georg Wilhelm Friedrich Hegel (1770-1831) beperkte zich tot de uitroep “Wat een grote stad”.

Sinds mensenheugenis is Rotterdam een handelsplaats waar allerlei goederen worden verscheept en doorgevoerd. Desiderius Erasmus, John Locke, Pierre Bayle en Hugo de Groot maakten Rotterdam echter ook tot op- en overslaghaven van het Europese gedachtegoed. Als we Victor Cousin mogen geloven is het verval al voor 1838 ingetreden: “Men geeft in Rotterdam niet meer om de filosofie, om Locke, LeClerc, Bayle of Voltaire; men wil hier alleen maar rijk worden. Er worden geen goede boeken meer uitgegeven, zelfs geen slechte boeken.”

Maar de sporen van de tijden van weleer zijn nog te vinden. Een stevige wandeling voert langs oude filosofencafés, beelden en graven. Een beetje verbeeldingskracht is wel nodig bij deze wandeling, want het stadscentrum is in de Tweede Wereldoorlog bijna helemaal verwoest. Wij lopen door een totaal andere stad dan Arthur Schopenhauer bijvoorbeeld zag in die druilerige novembermaand van het jaar 1803. “Rotterdam is niet zo groot als ik mij had voorgesteld”, schrijft hij. “De straten zijn zeer breed en zien er bijna allemaal hetzelfde uit. De meeste huizen zijn klein.” Of neem het commentaar van David Hume op 10 maart 1784 in een brief aan zijn broer: “Rotterdam is een fraaie stad. In één blik zie je de fraaie mix van huizen, bomen en schepen. Ieder huis straalt soberheid en overvloed, ijver en gemak uit. Ik moet echter toegeven dat de buitenkanten van de huizen flatteren. Ze zijn te klein, hebben slechte ramen en zijn niet goed gebouwd.”
Het stadsbeeld is sindsdien volledig veranderd. Voor het stadhuis van Rotterdam, dat de Tweede Wereldoorlog heeft overleefd, staat een bronzen standbeeld van Hugo de Groot (1583-1645), de rechtsgeleerde en filosoof die van 1613 tot 1618 juridisch adviseur van de stad was. Het beeld uit 1969 is gemaakt door Auke Hettema. Op de sokkel is een treffend citaat te vinden: 'Dat men voor al de waerheyd hebbe ende behoude: want sonder de waerheyd en is het geen vrede en is het geen liefde.'

Hugo de Groot begon op 11-jarige leeftijd in Leiden te studeren. Klaarblijkelijk was hij een goede student, want de universiteit van Orléans verleende hem op zijn zestiende een eredoctoraat. Op zijn vijftiende was hij al met Van Oldenbarneveld op bezoek geweest bij de Franse koning, die bij het zien van de jonge wetenschapper uitriep: 'Voilá le miracle de Hollande!’ Op de sokkel is deze kreet 'het wonder van Holland' terug te vinden. De Groot geldt als de uitvinder van het internationaal recht. Hij was de eerste die de soevereiniteit van afzonderlijke staten wilde inperken ten gunste van internationale bestuursorganen. Ook is hij geestelijk vader van het onderscheid tussen nationale en internationale wateren en stelde hij internationale regels op voor 'humane' oorlogsvoering. Daarmee legde hij het fundament voor de oorlogsverdragen van Genève en Helsinki.

Als 'pensionaris' (stadsbestuurder) van Rotterdam stond De Groot het college van burgemeester en wethouders bij met juridisch advies. Tegelijkertijd speelde hij een belangrijke rol in de landelijke politiek. Samen met de hier eveneens in brons vereeuwigde Van Oldenbarneveld schreef hij in 1617 de 'Scherpe Resolutie'. Die omstreden wet bevatte een vergaderverbod voor strenge protestanten. De Groot hoopte er verdere godsdiensttwisten mee te voorkomen, maar hij bracht het land er onbedoeld mee aan de rand van een burgeroorlog. De protestanten voelden zich achtergesteld en sloegen terug. In 1618 barstte de bom: De Groot en Van Oldenbarneveld werden gearresteerd, waarna de laatste het hoofd verloor. De Groot mocht het zijne behouden, maar verdween wel achter de tralies. In de loge van het stadhuis hangt een plaquette die aan De Groots bestuursperiode herinnert.

Op 19 oktober 1631 waagde Hugo de Groot, officieel voortvluchtig na zijn ontsnapping, zich weer in het Rotterdamse centrum. Hij wilde die nieuwste aanwinst, het bronzen standbeeld van Desiderius Erasmus Roterodamus (1466-1536) voor de Laurenskerk, met eigen ogen zien. Het beeld is er in 1622 neergezet als symbool van de overwinning van de rede op het rigide geloof. Het ontwerp stamt uit 1549. Streng katholieke Spaanse overheersers hadden een eerdere uitvoering van het beeld in blauwe steen in 1572 kapotgeslagen en ook een houten beeld had de politiek woelige tijd niet overleefd. In 1618 gaf het volhardende stadsbestuur de opdracht om een onverwoestbaar beeld te maken: in brons. Toen de plannen bekend werden, was de stad in rep en roer. De gereformeerde kerkenraad, met dominee Jacob van Leeuwen als voorman, probeerde de komst van het monument voor de 'spotter alle religiën' te voorkomen. Erasmus was geen beeld waard en zeker niet zo'n duur beeld. Maar tevergeefs. Hendrick de Keyser maakte het ontwerp voor het beeld en in 1622 is het gegoten.

Let op het mozaïek van Erasmus te paard aan de overzijde op Coolsingel 65, boven ANWB / VVV. Een Erasmus in de wieg zou passender zijn geweest, want hoewel zijn naam onlosmakelijk met de stad is verbonden, heeft Erasmus de havenstad in de wieg verlaten en is hij er nooit meer weergekeerd. 'Zijn ouders,' vertelt Victor Cousin, 'woonden in Gouda en het was louter toeval dat Erasmus in Rotterdam is geboren.'

Op de eerste etage van het Rotterdamse Historisch Museum staat een kast met het opschrift 'Hugo de Grootstraat'. Er in hangt een opmerkelijk kledingstuk: een metselaarsjasje dat Hugo de Groot tijdens zijn spectaculaire vlucht uit Slot Loevestein --- hij verstopte zich in een boekenenkist en liet zich zo de gevangenis uitsmokkelen --- moet hebben gedragen. De Groot vluchtte, verkleed als eenvoudige ambachtsman, via Antwerpen naar Parijs.
Het museum bezit verder een zestiende-eeuws (?) beeldje van Desiderius Erasmus dat in de gevel van zijn in de Tweede Wereldoorlog vernielde geboortehuis heeft gestaan.

'Hier rees die groote zon en ging in Basel onder', staat op de sokkel van het oudste bronzen standbeeld van Nederland. Het is de eerste regel van een lofdicht van de hand van Joachim Oudaen. Strenge calvinisten die de gematigde Erasmus als een gevaar beschouwden, hadden zo'n hekel aan het gedicht, dat ze de oorspronkelijke sokkel vernielden. In 1677, toen de belangstelling voor Erasmus even opleefde, is het beeld op een nieuwe sokkel geplaatst. Drie eeuwen bleef het beeld gevrijwaard van vandalisme. In 1996 viel Erasmus op mysterieuze wijze opnieuw van zijn voetstuk. Hij bleek onverwoestbaar, overleefde de val en is weer op zijn voetstuk gehesen.

'Wellicht is hij wel de enige geleerde die men ooit met een monument heeft geëerd', schreef Fransman Denis Diderot, die Rotterdam in 1773/74 bezocht. Landgenoot Victor Cousin vond het beeld niet veel soeps. 'Ik had het bronzen standbeeld van Erasmus --- auteur van de Samenspraken en de Lof der Zotheid --- getooid met toga, kap en met een boek in zijn hand, op de grote markt slecht bij maanlicht gezien. Bij daglicht viel het mij tegen. Je ziet nauwelijks zijn gelaatstrekken en van dat puntige en hoekige gezicht dat Erasmus met Voltaire gemeen heeft, merk je ook niet veel,'

Op 28 oktober 1467 --- over de juistheid van deze datum wordt al eeuwen gedebatteerd --- werd Erasmus als eenvoudige jongen met de al even eenvoudige naam Gerrit Gerritszoon (?) geboren in de Wijde Kerkstraat, een zijstraatje van het kerkplein. Omdat hij een buitenechtelijk kind was, waren zijn kansen op een carrière miniem. Hij bracht zijn jeugd door in kloosters. Daar kreeg hij een degelijke opleiding. Hij bleek talent te hebben voor het Latijn. Voor goede latinisten was in die tijd veel emplooi omdat alle officiële correspondentie in het Latijn werd gevoerd. De bisschop van Kamerijk maakte geen punt van zijn 'slechte' komaf en benoemde hem tot secretaris. Het was het begin van een grote politieke, taalkundige en filosofische carrière.

In Engeland ontmoette Erasmus de Schotse koning Jacob II. Deze schonk hem een zegelring met het opschrift Concedo Nulli. Dat betekent letterlijk: Ik wijk voor niemand. Het woord je 'ik' verwees overigens naar de dood. De zegelring zou Erasmus zijn hele leven blijven dragen. In 1520 vergezelde hij Karel V bij de vredesonderhandelingen in Calais met Frans I en Hendrik VIII. Hij begeleidde Karel V ook bij zijn Blijde Intrede in de steden van de Zuidelijke Nederlanden en was betrokken bij de opvoeding van verschillende prinsen. Op verzoek van meerdere koningen schreef hij opvoedkundige werken voor kroonprinsen, de zogenaamde 'vorstenspiegels'. Hoewel hij regelmatig een baan aan een hof kreeg aangeboden, verkoos hij de stilte van de studeerkamer. Het hofleven paste hem niet. Erasmus zag zichzelf in de eerste plaats als 'studiemens'. Hij leefde voor de filosofie.

In zijn jeugd was hij in Deventer in contact gekomen met de nieuwe logica van de wat oudere, Groningse denker Rudolphus Agricola. Aan hem ontleende hij de term die hij aan zijn totale werk meegaf: Philosophia Christi. Erasmus: 'Deze wijsheid of philosophia is eerder te vinden in wilsovertuiging dan in syllogismen, zij is eerder een manier van leven dan een redetwist, meer een ingeving dan een kennis, meer een verandering dan een redenering. Zij vindt gemakkelijk aanknopingspunten in de natuur, want de Philosophia Christi is niets anders dan een nieuwe geboorte, het herstel van een natuur die goed geschapen is. Filosofische systemen leren ons wel deugden, maar niemand onderwijst ze zo duidelijk en krachtig als Christus zelf.'

De Engelse humanist en priester John Colet (ca. 1467-1519) zette Erasmus ertoe aan om zich te verdiepen in het vroege christendom. Erasmus kwam tot de overtuiging dat de humanitas, de ware menselijkheid, in de eerste eeuw nog aanwezig. Sindsdien was het, mede door de corruptie in de kerk, bergafwaarts gegaan. Om het tij te keren schreef Erasmus zijn Enchiridion militis christiani (Handboekje van de christenstrijder). Het was een internationale bestseller, waardoor Erasmus van de pen kon leven. Toen hij 'christenstrijder' paus Julius II bij Bologna in actie zag, schrok Erasmus. Julius II stond bekend als 'de oorlogspaus'. Hij belaagde een stad met zijn legers en liet zich vervolgens als een overwinnaar op een praalwagen binnenhalen. Toen Erasmus dat gezien had gaf hij zijn Julius exclusus e coelis uit (Julius komt de hemel niet in). Hij ontkende natuurlijk dat hij de auteur was van dit venijnige werkje. Met de opvolger van Julius II kon Erasmus het veel beter vinden. Leo X was een intellectuele paus die het opmerkelijke standpunt huldigde dat de bijbel een fabula, een inspirerende vertelling, bevatte. Erasmus was het daar volledig mee eens. Hij zag de bijbel ook als een van de waardevolle oude bronnen waarin het niet zozeer draaide om een geopenbaarde waarheid, maar om een degelijke deugdenleer met voorchristelijke wortels.

Als filosoof wilde Erasmus niet origineel zijn. Hij meende dat alles al in de Oudheid afdoende was beschreven. 'Alles is ons door de heidenen overgeleverd', concludeerde hij. En in de Oudheid kon je nog lachen met de filosofen. In Lof der Zotheid, Erasmus' bekendste werk, nam hij de luchtige toon van de Romeinse satiricus Lucianus over. Hij schreef het boek tijdens een weekje logeren bij de Engelse utopist Thomas More (1478-1535). Alles en iedereen wordt in het boek op de hak genomen: het gewone volk, stoffige geleerden, wijze denkers. Iedereen krijgt ervan langs, behalve de theologen, want 'het is beter maar geen slapende honden wakker te maken en niet in de beerput te roeren. Want dat is me toch een lichtgeraakt, driftig stelletje mensen. Ze konden wel eens te hoop lopen en met een stortvloed van slechte argumenten trachten mij te dwingen een toontje lager te zingen om mij, als ik dat weiger, meteen voor ketter uit te maken.' In Lof der Zotheid spreekt Vrouwe Zotheid tot slot treffend: 'Welnu, wat is het leven anders dan een toneelstuk waarin ieder met een ander masker optreedt en allen hun rol spelen totdat de regisseur hen van het toneel laat verdwijnen.' Erasmus overleed in de nacht van 11 op 12 juli 1536 in Basel, als gevierd lid van de Republiek der Letteren, het officieuze Europese verbond van geleerden.

In de Scheepmakershaven stond in de zeventiende en achttiende eeuw een beroemde sociëteit, De Lantaarn. De Engelse handelaar, bankier en boekenverzamelaar Benjamin Furly (1638-1714) runde dit vermaarde filosofische café. In Engeland was hij zijn leven niet zeker, omdat hij het quakergeloof aanhing. Maar in Nederland heerste de tolerante geest van de Verlichting, en Rotterdam was Europa's vrijhaven voor vluchtelingen; een op- en overslagplaats van verlichte ideeën. Boeken die elders verboden waren, rolden in Rotterdam gewoon van de persen. Furly's boekenkast telde maar liefst vierduizend titels. De collectie oefende een grote aantrekkingskracht uit op geleerden. De gastvrije Furly liet ze binnen en herdoopte zijn huis tot sociëteit De Lantaarn. Met die naam zinspeelde hij uiteraard op het licht van de rede dat wat hem betreft in alle uithoeken van de wereld mocht schijnen. Er waren er meer die er zo over dachten.

Een van de frequente bezoekers van De Lantaarn was Anthony Ashley Cooper, beter bekend als de Third Earl of Shaftesbury (1671-1713). Van 1689 tot 1699 logeerde hij bij Furly. Shaftesbury verdedigde de destijds nog omstreden stelling dat moraal ook los van religie kan bestaan. Hij werkte aan The philosophical regimen, een boek over deugdenethiek. Aanvankelijk leefde hij onder een schuilnaam in Rotterdam. De Franse filosoof en vluchteling Pierre Bayle (1647-1706), een onregelmatige gast in De Lantaarn, had dan ook geen idee dat hij bevriend was geraakt met een telg uit die beroemde Engelse gravenfamilie. Toen hun vriendschap vaste vormen aannam, besloot Shaftesbury zijn identiteit bekend te maken op een diner bij een gezamenlijke vriend. Die vriend kondigde Bayle alvast aan dat graaf Shaftesbury mee zou eten. Toen Bayle diezelfde dag toevallig bij Shaftesbury binnenliep, vroeg deze hem of hij met hem zou eten. Bayle antwoordde: “Dat kan ik echt niet, want ik moet op tijd zijn voor een diner met Lord Shaftesbury.” Shaftesbury vertrok in 1699 naar Engeland waar hij een zetel in het parlement veroverde. In 1703 kwam hij in overspannen toestand terug voor een vakantie in De Lantaarn. Hij bleef een jaar in Rotterdam, waar Furly hem een huis bezorgde.

Shaftesbury was in een grijs verleden opgevoed en opgeleid door de Engelse filosoof John Locke (1632-1704). Deze Locke had heel Engeland afgezocht om Shaftesbury aan een geschikte vrouw te helpen, iets wat uiteindelijk lukte. Net als Shaftesbury was Locke Engeland om politieke redenen ontvlucht. Van 1687 tot 1689 woonde hij bij Furly in. In De Lantaarn verdedigde hij de stelling dat mensen bepaalde rechten kunnen ontlenen aan de wet van God en aan de wet van de natuur. Het waren de fundamenten voor de latere mensenrechten.

Furly benoemde Locke tot voorzitter van De Lantaarn. Locke leidde de discussies, hield de boekhouding bij en werkte in De Lantaarn aan de grondwet van de staat Pennsylvania. De steenrijke Furly investeerde fors in de kolonisatie van deze Engelse kolonie in Amerika, die onder geestelijke leiding stond van zijn vriend William Penn. Samen met Penn ontwikkelden Furly en Locke een grondwet die later model stond voor de eerste Amerikaanse constitutie van Thomas Jefferson.

Als voorzitter van De Lantaarn maakte Locke zijn eigen ideeën tot inzet van debat. Zo bogen de bezoekers zich over Lockes invloedrijke pedagogische geschrift Some Thoughts concerning Education, dat in Rotterdam totstandkwam. Locke stelde hierin dat de mens een tabula rasa is; een onbeschreven blad. De wijsheid voor dit opvoedkundig geschrift had hij opgedaan door Pietje Quenellon, zoon van een vriend uit Amsterdam, te bestuderen. Met goede ervaringen, stelde hij, zou een kind vanzelf een goed mens worden. Van nature is niemand goed of slecht; je wordt zo gemaakt.

Bij Furly schreef Locke ook zijn Two Treatises of Government. In die verhandeling nam hij het op tegen de katholieke Jacobus II, die op weinig verlichte wijze over Engeland heerste. Angstvallig hield Jacobus II vast aan de eenheid van kerk en staat. Andersgelovigen konden onder zijn bewind maar beter vertrekken. Locke wilde de invloedssferen van de kerk en de staat scheiden. Hij steunde de Nederlandse Willem III die in 1688 met een grote legermacht de oversteek naar Engeland maakte. De verlichte Willem III stootte de ouderwetse Jacobus II met succes van de troon en voerde de scheiding van kerk en staat door. Toen Mary Stuart II, de eega van Willem III, zich een klein jaar later bij haar man voegde, reisde John Locke in haar gezelschap mee.

Er kwamen meer politieke denkers in De Lantaarn. Politicus Algernon Sidney (1622-1683), auteur van Discourse on Government, maakte zich sterk voor het recht op revolutie en de excentrieke Deventer filosoof en utopist Tyssot de Patot besprak in De Lantaarn zijn door Descartes geïnspireerde blauwdruk voor een betere wereld.

Ook logicus Petrus van Balen (1643-1690), die naast de sociëteit woonde, kwam geregeld binnenlopen voor een goed gesprek en een glaasje 'mum' (een soort bier). In zijn boek De verbetering der gedagten stelde hij dat logica een bruikbaar instrument was om de partijen in de godsdienststrijd te verzoenen. Logica was een neutrale bemiddelaar. Hij zag een 'onwaardeerlijke vordeel, 't geen daar uit tot vrede van gescheurde gemeinschappen onder Christenen, getrokken konde worden'.

Als men het niet over politiek had, bracht de Amsterdammer Jean LeClerc (1657-1736) het gesprek op de anatomie. De internationaal gerenommeerde natuurwetenschapper Franciscus Mercurius van Helmont (1614-1696) stelde de vage alchemie, die zijn vader nog had bedreven, ter discussie. Het licht van de rede stond geen vaagheden toe. De in Friesland geboren Bernard Mandeville (1670-1733) wist de stamgasten te choqueren met zijn stelling dat deugdzaam gedrag vaak slecht is voor de samenleving. De economie draait op egoïsme en inhaligheid. Die stelling maakte hem later in Engeland beroemd en berucht.
“Sommige private vices”, stelde hij in zijn Fable of the bees, “zijn in feite public benefits.”

Wil 't klagen laten: enkel zotten
streven naar eerlijkheid in korven
willen het wereldse comfort
en oorlogsroem en ga maar door
en zonder ondeugd, 't lijkt te zijn
een Utopie, genesteld in het brein.
Luxe bedrog en hoogmoed lukken
als wij er maar de vrucht van plukken.

Mandevilles conclusie was eenvoudig:

De kale deugd kan naties niet doen leven
in pracht; hij die een Gouden Eeuw
terug kan brengen, moet even
vrij zijn op zijn tijd
voor eikels als voor eerlijkheid.

Op 30 oktober 1681 vluchtte de Franse filosoof Pierre Bayle (1647-1706), die we inmiddels kennen uit De Lantaarn, naar Rotterdam. Hij groeide op in Zuid-Frankrijk in de Pyreneeën, studeerde filosofie aan een jezuïetencollege in Toulouse en was hoogleraar filosofie in Sedan. Omdat hij van zijn katholieke geloof losraakte en zich tot het calvinisme bekeerde, moest hij in 1670 uit Frankrijk vertrekken. Na een lange omweg kwam hij, overigens op uitnodiging van het Rotterdamse stadsbestuur, naar de havenstad. Bayle bleef er 25 jaar, een periode waarin hij zich opsloot in zijn studeerkamer in het huis van mejuffrouw Van der Meersch op het West- Nieuwland en vanaf april 1684 in zijn eigen woning aan de Leuvehaven. Hij troostte zich niet de moeite om het Nederlands te leren. Dat was niet nodig. Er zat hier een complete kolonie Franse vluchtelingen (Hugenoten) en, zoals hijzelf zei: “je merkt niet eens dat je vreemdeling bent.”

Al vrij snel maakte hij naam, onder meer met een in 1682 anoniem uitgegeven boek over kometen en bijgeloof. De mens kende de natuurwetten achter de baan van de kometen weliswaar niet, maar dat zou nog wel komen. Die fabeltjes over de relatie tussen kometen en rampspoed waren onzinnig, meende hij. Bayle bestreed het bijgeloof, maar wilde wel een gematigd christelijk geloof in ere houden. De rede was in zijn ogen niet honderd procent betrouwbaar en kon de Openbaring dus nooit vervangen. Hij probeerde, net als Descartes, de domeinen van de rede en het geloof strikt te scheiden. De rede kon de waarheden van het geloof niet benaderen en het geloof had weinig over de rede te zeggen. Zowel geloof als rede bekeek hij sceptisch. De mens zou volgens hem nooit afstand kunnen doen van de zeden en gewoonten van de maatschappij waarin hij nu eenmaal toevallig leefde. En die zeden en gewoonten hadden volgens Bayle bijzonder weinig met waarheid van doen. “Zijn scepticisme is het gevolg van vermoeidheid van een onderzoekende en vlottende geest die op goed geluk ronddobbert in een ontzaggelijke zee van geleerdheid”, stelde de katholieke Franse denker Victor Cousin minzaam.

In Rotterdam bedacht Bayle iets nieuws: het filosofische publiekstijdschrift. In 1684 bracht hij Nouvelles de la République des Lettres op de markt. Vermaarde figuren als Leibniz en Huygens schreven erin. Het tijdschrift werd in heel Europa gelezen, hoewel het in veel landen verboden lectuur was. Vooral in Frankrijk, het land waaruit Bayle was verbannen, liep de clandestiene verkoop uitstekend. Bayle wilde de Verlichting een stapje vooruithelpen met zijn tijdschrift. “De meeste mensen kunnen niet lezen en van hen die het wel kunnen, lezen de meesten nooit iets van hun tegenstanders”, constateerde Bayle. De Nouvelles waren volgens hem daarom 'niet alleen van belang voor geleerden'. Hij wilde met zijn tijdschrift 'het midden bewaren tussen tijdschriftnieuws en zuiver geleerdennieuws opdat dames en heren van stand en in het algemeen talloze mensen die lezen en over geest beschikken zonder dat zij geleerden zijn, vermaak scheppen in het lezen van onze Nouvelles.’

De Nouvelles was het eerste populairwetenschappelijke maandblad van Europa. “Men moet de dingen een beetje egaliseren, er kleine bijzonderheden tussendoor strooien, wat spotternijtjes, nieuwtjes op het gebied van de roman en de komedie opnemen, kortom de zaak zo gevarieerd mogelijk maken.”

Bayle schreef drie jaar lang iedere maand zo'n honderd pagina's bij elkaar. Uiteindelijk brak hem dat op. Hij werd ziek en moest het tijdschrift uit handen geven. Het verlies van de Nouvelles had ook zijn voordelen. Nu had Bayle alle tijd voor wat zijn hoofdwerk zou worden, een Dictionnaire historique et critique. Dit sterk rationalistisch overzichtswerk van de wetenschap stond model voor l'Encyclopédie van Diderot en D'Alembert. De Dictionnaire historique et critique verscheen in 1679. Het bevatte een overzicht van a tot z van de stand van zaken in de wetenschappen. 'De tijden zijn veranderd', schreef Bayle in de Dictionnaire. 'Mensen die zich van hun perfecte kennis van de mythologie, de Griekse dichters en de scholastici bedienen om moeilijke passages, een historisch feit of een geografische, grammaticale of genrekwestie begrijpelijk te maken of te verklaren, tellen niet meer mee. Meerdere al dan niet terecht als ‘grote geesten’ aangemerkte personen veroordelen nu het citeren van Griekse schrijvers en het maken van erudiete opmerkingen als professorenwijsheid of pedanterie.' Bayle juichte een nieuwe tijd toe. Geen klakkeloos geloof meer in de klassieken, maar kritisch onderzoek naar allerlei overgeleverde vooroordelen. 'We leven in een filosofisch tijdperk waarin alles zoveel mogelijk wordt verklaard met natuurlijke oorzaken. Mij bevalt die methode wel.'
De Dictionnaire was een bestseller, ondanks de prijs van dertig gulden. Bayle ontving overigens geen royalty's voor zijn boek. Hij liet zich uitbetalen in boeken die hij zelf verkocht.

De Waalse Kerk, later herbouwd, was in de zeventiende eeuw het centrum van de Franse vluchtelingen in Rotterdam. Pierre Bayle kwam voor een bezoekje aan deze kerk nog wel eens de studeerkamer uit. Hij leidde het bestaan van een geleerde Einzelgänger. Het verhaal gaat dat een rijke Française, de zuster van de bevriende predikant Pierre Jurieu, hem tot een huwelijk probeerde te verleiden. Bayle weigerde. Het huwelijk paste niet bij 'een filosoof wiens hele geluk bestaat uit studeren en mediteren'. Volgens de biografen legde de dame in kwestie zich hier niet bij neer. 'Ze nam alle middelen te baat om hem van die gevoelens te genezen en om hem ertoe te bewegen te profiteren van de voordelen die zich als vanzelf aanboden, maar zij slaagde er niet in.'

Aan de rechterhand is het gebouw van het nieuwe Erasmiaans Gymnasium te vinden. Het is de voortzetting van de oude Illustre School, waar Bernard Mandeville zijn opleiding kreeg terwijl Jurieu en Bayle er doceerden. In de hal --- nog zichtbaar vanaf de straat --- hangt een gedenksteen met het opschrift: 'Pierre Bayle, exsul philosophia docuit per duodecim annos in schola illustri Rotterodamensi (Vrij vertaald: de verbannen filosoof Pierre Bayle gaf 12 jaar les aan de Illustere School van Rotterdam). Het voltooien van een opleiding aan de Illustre School gaf toegang tot een universitaire studie en daardoor een Illustre School doorgaans enige status. Doorgaans, want Rotterdam was een uitzondering. Het onderwijs stond er niet erg goed aangeschreven. Dat laatste beviel Bayle uitstekend. Het betekende namelijk dat er geen uitslovers rondliepen en dat hij zich met minimale inspanning van zijn onderwijstaak kon kwijten. Hij gaf maar twee lessen per week: filosofie en geschiedenis - voldoende om van te leven. De school eiste echter van alle docenten dat ze uit het hoofd en in het Latijn doceerden. En daardoor viel de voorbereiding van die twee lessen toch nog zwaar.

In 1693 werd Bayle ontslagen, niet omdat hij de kantjes ervan afliep, maar omdat Pierre Jurieu, de 'protestantse inquisiteur' die ook lesgaf op deze school, hem om ideologische redenen uit het zadel lichtte. De school heeft een paar eeuwen later overigens ook spinozist Johannes van Vloten (1818-1883) de wacht aangezegd. Na een uit de hand gelopen les, kreeg deze leraar Frans en Nieuwe Geschiedenis ontslag 'wegens volslagen gebrek aan orde'.

Bayle staat bekend als 'de filosoof van Rotterdam'. Die bijnaam kreeg hij van de hier eveneens begraven Pierre Jurieu (1639-1713). Dat zij beiden in één graf zijn beland, is de ironie van het lot. Jarenlang hebben deze gewezen vrienden elkaar het leven zuur gemaakt met aanklachten, beschuldigingen, pamfletten en rechtszaken. Jurieu, zelf ook vluchteling en door Bayle naar Rotterdam gehaald, verdiende wat bij als hoofd van de geheime dienst van Willem III, die op het punt stond de Engelse koning Jacobus II af te zetten. Bayle was het niet met hem eens. Een slechte koning, of het nou die van Frankrijk of Engeland was, moest men niet zomaar onttronen; die moest men tot rede brengen en heropvoeden.

Met zijn pleidooi voor een verlicht despotisme ondermijnde Bayle de revolutionaire geest onder de Rotterdammers. En dat was reden voor Jurieu om Bayle op klassieke wijze van het toneel te werken. Hij publiceerde een hetzerig pamflet, Le Philosophe de Rotterdam accusé, atteint et convaincu waarin hij Bayle beschuldigde van atheïsme. Dat was in die dagen nog een ernstige zaak. Gereformeerde kerkleiders bogen zich in 1692 over de aanklacht en troffen inderdaad 'schadelycke en goddeloose stellingen' in Bayle’s werk. Kwalijk, zeker voor een docent. De kerk vreesde 'dat de jeugd pericul soude lopen van misleijd te werden'. Bayle verloor zijn baan als docent.

De onsterfelijke Bayle, qua menselijke natuur het neusje van de zalm', schreef Voltaire (1694-1778), 'werd dus vervolgd en ontslagen. En door wie? Door mensen die zelf elders werden vervolgd, door vluchtelingen die men in hun eigen thuisland op de brandstapel zou hebben gezet.'

Pierre Bayle stierf op 28 oktober 1706 aan verkoudheid en tuberculose. Aanvankelijk is hij in de Waalse kerk begraven. Toen die kerk afbrandde, heeft men zijn stoffelijke resten --- met die van Jurieu --- overgebracht naar Crooswijk.